home | team | project
contact | afdrukken | volgen @vitaallokaal discussie slotevent | delen:   

Werksessie, Donderdag 28 mei

Meedoen


[beweeg de muis over de woordenwolk om de wolk van het voorgesprek te zien]

Met Henk Oosterling, Vakmanstad, Rotterdam

19.00 tot 21.45 uur, Rotterdams Vakcollege De Hef, Slaghekstraat 221 Rotterdam

Verslag en foto's: Alexandra Gabrielli | De sessie in enkele zinnen

De vijfde werksessie van Vitale Lokale Samenenlevingen vindt plaats in het gebouw van het Rotterdams Vakcollege de Hef op 28 mei 2015. Gast is deze keer sociaal voortrekker
Henk Oosterling, oprichter van Rotterdam Vakmanstad, thema is meedoen. Hij ziet vakmanschap als een levensstijl, niet alleen de school maar ook de buurt, de markt en de stad omvattend.
Oosterling wordt geïnterviewd door Thijs Jansen van Stichting Beroepseer. Bijna veertig deelnemers luisteren mee, onder hen sociaal ondernemers, leraren, ambtenaren, maatschappelijke pioniers, leden van stichtingen en een coöperatie, wetenschappers en projectadviseurs. Doel van deze gesprekken is om erachter te komen wat sociaal ondernemers drijft. Wat zijn hun motieven, wat brengen zij persoonlijk tot stand en welke obstakels komen zij tegen?

Thijs Jansen (rechts) interviewt Henk Oosterling

De achtergrond

Henk Oosterling (1952) is geboren in de Rotterdamse wijk Feijenoord, op een steenworp afstand van Vakcollege de Hef, “in een echte, grote volksfamilie, een stelletje asocialen bij elkaar waarin alles met de handen beslecht werd”. Vader was havenarbeider en werkte voor de Holland Amerika Lijn; op zijn 48 ste werd hij afgekeurd.
In 1959 verhuist het gezin naar het Nieuwe Westen, waar Oosterling naar de lagere school gaat, de mulo, de havo en de kweekschool, vanaf 1968 officieel pedagogische academie (pabo) geheten. Vlak voor hij examen moet doen, verlaat hij de kweekschool: “Ik vond het helemaal niks. Ik wist dat als je examen doet, je je hele leven vastzit in een koker. Ik kom nu op scholen waar ik indertijd heb gekweekt en ontmoet daar medestudenten. Ze zeggen: jij bent degene die een maand voor zijn examen afhaakte. Had ik dat maar gedaan”.

Geen diploma dus. Oosterling zag het niet zitten te werken in de toenmalige onderwijsstructuren. Hij besluit staatsexamen gymnasium te doen. In een jaar tijd. Op 1 september ’s ochtends om zes uur beginnen met studeren: “Ik ben niet gestopt, ook niet in de weekeinden, tot tien uur ’s avonds. Tot Sinterklaas. Grieks en Latijn. Mijn hele huis hing vol met behang met alleen declinaties, conjugaties, Homerus en Livius. Toen ik klaar was en examen had gedaan, dacht ik, ik doe nog Hebreeuws, Sanskriet, wiskunde, maar toen werd ik een beetje moe. Ik had geld nodig en ben hier aan de overkant taalles gaan geven aan gastarbeiders.
Het lesmateriaal was puin en ik stelde voor zelf lesmateriaal te gaan ontwikkelen. Dat was in 1974. Tegelijkertijd startte ik samen met een aantal bevriende onderwijzers op de Polderkwartierschool, hier verderop aan de Polderlaan een radicaal schoolexperiment dat dezelfde structuur had als wat we nu op Bloemhof doen. Veel ouderparticipatie, zelf leermiddelen maken, zoals op de Freinetschool. Het was succesvol maar door het anarchistisch karakter – het was 1975 – werd het door de politiek geblokkeerd. Daar ligt waarschijnlijk de basis voor wat ik dertig jaar later met Vakmanstad ben gaan doen. In dat jaar ben ik filosofie en linguïstiek gaan studeren in Leiden. Ik dacht, als ik het daar red – Leiden was de meest conservatieve universiteit – dan pakken ze me nooit meer, dan krijgt niemand mij er nog onder. Maar de studie was daar heel erg goed. Met Van Peursen, Nuchelmans, Fresco. Ik heb daar mijn kandidaats linguïstiek gedaan”.

Het is een trend bij Oosterling. Hij begint aan iets, en vindt het puin: “Ik creëer dan samen met anderen iets dat ik zelf interessant vind”.
Hij ontwikkelde met anderen twee taalmethoden, een voor gastarbeiders - vier dikke pillen van boeken: Nederlands voor gastarbeiders en een voor allochtone, werkende jongeren – En nou in ’t Nederlands! - en schreef voor het Nederlands Centrum Buitenlanders een cursusboek voor lesgevers in buurthuizen. Eind jaren zeventig kreeg hij er genoeg van en verkocht hij de copyrights.
Hij vertrok naar Japan voor een opleiding in de martial arts, met name kendo, Japans zwaardvechten. Judo en karate beoefende hij al vanaf zijn 11 e jaar. Eenmaal terug in Nederland stichtte hij in Bloemhof een kendoschool, werd hij in 1983 Nederlands kampioen en uiteindelijk captain van het Nederlandse team. Na terugkomst in 1981 “ben ik mijn doctoraal filosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam gaan doen en in Leiden Japans”.

Oosterling ging ook weer boeken schrijven. Hij schreef in 1982 het rapport ME weg ermee, het was de tijd van protesten tegen kerncentrale Dodewaard, in 1983 voor de basisschool een lesmethode over alternatieve energie, Energie in ’t klein, en in 1985 een handboek over zwaardvechten: “En toen ben ik in 1985 afgestudeerd, cum laude zoals het hoort voor een arbeidersjongen. Mijn specialiteit is Franse filosofie - Deleuze, Foucault, Derrida, Lacan, Bataille en daar ben ik uiteindelijk – ook cum laude - op gepromoveerd in 1996. Ik heb ook veel onderzoek gedaan naar kunstpraktijken en heb met regisseurs als Peter Greenaway en theatermakers als Johan Simons en Guy Cassiers samengewerkt. Ook met de filosofen Peter Sloterdijk en Slavoj Zizek heb ik in periodes intensief gewerkt”.

En passant bekent Oosterling dat hij aanvankelijk “een verschrikkelijk grote woede had omdat ze me gewoon genaaid hadden. Dat ik niet meteen naar het gymnasium mocht. Maar die woede is langzaam omgedraaid. Woede is alleen maar energie, en die moet je transformeren naar een positieve vorm”. Oosterling is sinds 1985 docent en onderzoeker aan de Erasmus Universiteit, sinds 2001 hoofddocent wijsbegeerte. Het hoogleraarschap heeft hij nooit geambieerd. Hij richtte wel een zelfstandig onderzoekscentrum op met een eigen internationaal onderzoek naar de relaties tussen filosofie, kunst en politiek waarover hij tussen 1996 - toen hij de onderzoeksprijs van de Erasmus Universiteit kreeg – en 2005 een zevental nationale en internationale symposia organiseerde.

Begin van Rotterdam Vakmanstad

In 2004 lanceerde Oosterling zijn ideeën voor Rotterdam Vakmanstad. Aanleiding voor dat initiatief was de uitnodiging om een stadslezing te houden. Er heerste een chaotische stemming in Rotterdam na de moord op Pim Fortuyn in 2002: “ Het was in Rotterdam een zootje. Ik heb toen een analyse gemaakt van Rotterdam, die van arbeidersstad een cultuurstad was geworden. De havens waren weg, het vakmanschap verdwenen, de wereld was gedigitaliseerd en geglobaliseerd. Toen heb ik gezegd dat we het vakmanschap moesten terugbrengen op scholen, maar dan wel een 21 ste eeuws duurzaam vakmanschap”.
Twee jaar later in 2006, worden de ideeën over Rotterdam Vakmanstad aan diverse partijen gepresenteerd en in 2008 kan worden gestart in het kader van het Grotestedenbeleid en het Pact op Zuid onder verantwoordelijkheid van wethouder Dominique Schrijer. Pact op Zuid is een megaproject dat tot 2011 heeft geduurd, om kansarme, verloederde wijken van Rotterdam Zuid in prachtwijken te veranderen. In 2012 ging het over in Nationaal Programma Rotterdam Zuid. Op diverse basisscholen werd een integraal lesprogramma geïntroduceerd, gericht op vakmanschap, integraliteit, duurzaamheid en interculturaliteit, tijdens schooltijd en buiten schooltijd. Kern van het programma is jongeren laten ontdekken waar ze interesse in hebben en waar ze goed in zijn, ze leren inzien dat de dingen in de wereld door mensen gemaakt zijn en dat ze op een voor hen behapbare schaal verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen voor wat ze zelf doen. Dat laatste is belangrijk. Geen kind mocht van Oosterling nog antwoorden “weet ik niet” op essentiële vragen als “Waar komt je eten vandaan?”
De pedagogische ideeën ontleende hij aan de filosofieën die hij decennia daarvoor had onderwezen op de Erasmus Universiteit.

Op basisschool Bloemhof begint Oosterling met directeur Wim Pak in 2008 met het programma Fysieke integriteit: “Ik maakte een eco-sociale cirkel met elkaar opvolgende activiteiten: je gaat bewegen en je krijgt honger. Er moet gekookt worden. Waar komt het eten vandaan? Uit de tuin. Die tuin moet verzorgd. We besloten ook judo toe te voegen. Filosofie kwam erbij. Na drie jaar zagen we heel goede resultaten, Cito-scores zijn tien punten omhoog gegaan naar het landelijk gemiddelde. We hebben net het landelijke Basisschool Debattoernooi achter de rug. Bloemhof is nummer zeven geworden. Het is niet te geloven wat je de kinderen hoort beargumenteren”.

Vanaf het begin zijn in deze projecten MBO- en HBO-studenten betrokken die er hun stages lopen. Ondertussen is Rotterdam Vakmanstad met zijn programma’s uitgebreid naar het VMBO- en het MBO-onderwijs. In het Vakhuis, voor jongeren van 10 tot 14 jaar, zijn er keuzevakken: techniek, gezondheid/zorg, ICT en cultuur. De Vakwerf is voor 14 tot 19-jarigen. Zij volgen naast hun MBO-opleiding extra modules bij Vakmanstad die hen bij hun stage in bedrijven begeleidt. Ze krijgen les in ondernemerschap, financieel beheer en duurzaamheid.

Rotterdam Vakmanstad is inmiddels een stichting met vierendertig werknemers. De lessen zijn, in Oosterlings woorden, “tot producten vermarkt”. Je kunt zes uur, vier uur of twee uur les inkopen. De scholen betalen met geld dat de gemeente beschikbaar stelt: “We zitten nu op vijf scholen en over drie jaar wil ik op vijftien scholen zitten. Dan zijn we niet meer afhankelijk van externe gelden en kunnen we de programma’s binnen vier jaar in de schoolleerplannen verankeren”.

De taal van Oosterling

Oosterling hanteert een geheel eigen, in de loop der jaren ontwikkelde begrippentaal, een discours. Neem hyperkritiek, kritischer zijn dan kritisch: “Dat betekent dat je eigenlijk cynisch bent. Op alles wordt ja maar… gezegd. Ik zit helemaal niet te wachten op iemand die me voortdurend bekritiseert. Ik vind het heel vervelend als wij in onze organisatie mensen hebben die hyperkritisch zijn. Ik wil mensen hebben die meewerken, die iets bedenken en zeggen: Dat moet je niet zus doen, maar zo doen. En als ze dan zeggen ja maar dat werkt toch niet, dan zeg ik: Ja dag. Dat is hyperkritisch”.

Het tweede begrip is hypokritisch. Veel mensen in het Westen bevinden zich in het stadium van hypocrisie. Dat betekent dat je hier kan leven in grote welvaart, maar dat je eigenlijk profiteert van de rest van de wereld: “In West-Europa zijn we de eerste generatie die aan den lijve geen oorlog heeft meegemaakt, de meest begenadigde generatie, in ieder geval als je na 1945 geboren bent. Maar tegelijkertijd zijn er in de wereld wel honderdzeventig oorlogen gevoerd in onze naam. We zijn dus letterlijk collaborateurs. Als je betrokken bent, moet je niet wegkijken en een slap verhaal ophangen. Je bent altijd deel van het probleem, maar je moet ook snappen dat je dus ook een deel van de oplossing bent. Mijn vraag is dan: Wat gaan we doen?”

Een sleutelwoord is skills.
Thijs Jansen: Je hebt in Japan skills ontwikkeld, de martial arts. Je was dag in dag uit bezig met trainen.
“Een skill is de gerichte omgang met een medium, het middel dat je in je hand hebt, een zwaard in mijn geval, maar bij jongeren vooral een smartphone. Die is inmiddels zo vanzelfsprekend geworden dat ze haast vergeten dat ze dat ding in hun hand hebben. Het is een deel van hun lichaam geworden, zoals een pacemaker. Het gaat me erom dit gebruik weer bewust en daarmee hypokritisch te maken. Ik heb veel met kunstenaars gewerkt. Kunstenaars zijn doorgaans alleen geïnteresseerd in zichzelf, in niks anders. Maar, op het moment dat jij met die kunstenaars praat en zij doorhebben dat jij het werk dat zij maken echt probeert te begrijpen, gaan ze praten over het medium, over hoe zij iets door het hanteren van hun medium en in interactie met dat medium – verf, toon, dansant lichaam, computer - ontdekken waardoor ze zelf veranderen. In die creatieve daad valt de kunstenaar samen met het medium. Hij vergeet zichzelf. Dan is het ‘medium the message’.
Het besef van de werking van die media, van middelen in het algemeen, is in onze mediasamenleving onderontwikkeld. Onze werkelijkheid is uiteindelijk nagenoeg volledig geworteld in de media: we kijken op screens om de werkelijkheid te kennen. Dat geldt voor ons genoom, voor het DNA, voor zwarte gaten en supernova’s, maar ook voor de smartphone en de TomTom. Die onkritische consumptie van deze gemedieerde werkelijkheid noem ik radicale middel-matigheid. We leven naar de maat van onze middelen en zo’n medium of middel is de wortel, de radix, waarmee we in de wereld zijn verankerd. Onze menselijke bestaanswijze is radicaal middelmatig. Op het moment dat het medium stokt - je provider down, auto kapot, de tv doet het niet meer, je beltegoed is op, je smartphone gestolen – raak je volledig gedesoriënteerd.”

Heeft dat ook iets te maken met een esthetische levenshouding?
“Esthetiek heeft allereerst te maken met een samenhangende waarneming van de werkelijkheid. Net als een schilderij zie je de totaliteit, de samenhang, de compositie. Als je dit naar het leven vertaalt, gaat het niet om een afgesloten totaliteit. Dan krijg je iets wat letterlijk exclusief is: alleen voor ons soort mensen, dus fascisme en stalinisme. Een beeld ‘lees’ je in een keer, maar bij een tekst of een boek moet je aan het begin beginnen en eindig je, na een tijdje, aan het eind. Het duurt voordat je weet waar het boek over gaat. Uiteindelijk heb je wel het hele plaatje, maar dat bouwt zich langzaam op. Als je voor een schilderij staat, heb je het hele plaatje in één keer te pakken, ook al zal de betekenis in het ‘lezen’ van die samenhang zich steeds meer ontwikkelen. Dat is een esthetische ervaring. Als je zo’n houding overzet naar het leven, gaat het erom dat je een blik moet leren ontwikkelen waarin je in staat bent vanuit een veronderstelde samenhang allerlei connecties te zien. En daarom proberen we leerlingen bij te brengen hoe zij op bepaalde schaal samenhang – waar zij onderdeel van zijn – kunnen ervaren, hoe klein de schaal ook is. Die samenhang is uiteindelijk eco-sociaal, want alles hangt met alles samen. Inzicht in die bewuste zijnswijze begint bij een simpele houding: interesse. En dit betekent niet veel meer dan tussen-zijn, een medium dus, een middel, het midden houden”.

De samenleving als een netwerksamenleving, in gehelen gaan zien. Gaat het daarom?
“Ja, het gaat om netwerken als poreuze samenhangen van relaties. En we moeten wel beseffen dat die gehelen altijd geschaald zijn, contextueel. Het zijn geen universele, totalitaire gehelen, ze zijn poreus. Met andere woorden, ze zijn inhaakbaar. Voor mij is maakbaarheid niet van belang, maar haakbaarheid van de samenleving, daar gaat het om”.

Netwerksamenleving

De moderne samenleving is als informatiesamenleving tevens een netwerksamenleving. Dat betekent in Oosterlings visie dat:
1. je niet meer kunt zeggen dat je het niet wist.

2. dat je niet niet-betrokken kunt zijn. Wij moeten ons er rekenschap van geven dat wij wezens zijn die op elk moment met alles verbonden zijn. Al heb je alleen maar een smartphone, je bent overal mee verbonden: “Wij leven in een wereld waar kennis informatie is geworden. Het is tevens een beeldcultuur. Die informatie is dus als een virtuele wereld aanwezig. Die virtuele wereld is niet een onechte wereld, maar een wereld die in zijn effecten materieel en reëel is. Kijk maar naar de manier waarop de beurs werkt. Een speculatieve fluctuatie kan tot massa-ontslagen leiden. En dan is de vraag: kunnen en durven wij daaruit de consequenties te trekken?
Dat wil dus zeggen dat:

3. wij niet autonoom zijn. We kunnen ons nooit buiten het proces stellen en een objectieve kijk hebben. Je bent altijd een deel van het proces waarop je reflecteert. Dat noem ik relationele autonomie. Je bent als een knoop in een netwerk verbonden met alle anderen.

Bij een netwerkmentaliteit past een soort alertheid voor wat zich aandient, zodat creatief kan worden aangehaakt en nieuwe samenhangen kunnen worden geschapen. Die is nodig als je iets wilt beginnen, een onderneming bijvoorbeeld”.

De vraag is nu: Hoe ga je van niets naar iets? Hoe begin je een Rotterdam Vakmanstad?

Ondernemerschap

Oosterling: “Eerst maak je een diagnose van de context waarin je gaat werken. Je kunt niet zomaar beginnen. Als ik een businessplan maak of een scenario schrijf, ga ik eerst kijken: wat gebeurt er nu allemaal in de wijk of op die school? Toen wij dat deden kwamen we tot een onthutsende conclusie, namelijk dat er waanzinnig veel partijen waren die geen van allen van elkaar wisten dat ze in de wijk werkten. Als je geld wilt verdienen, moet je daar bovenop gaan zitten: verbinden dus en samenwerken. Daar komt het idee van integraliteit vandaan. In de verbinding van groepen vind je veel overlap. Er wentelen allerlei wielen in het rond die jij denkt nog te moeten uitvinden.
Wij zijn ook bezig geweest met nadenken over hoe je het midden- en kleinbedrijf in de wijk erbij kan betrekken. Wij voeden vier dagen in de week ruim driehonderd kinderen op school. Dat eten moet ergens vandaan komen. De Turkse middenstand is blij met ons project, ook de marktkooplieden op de Afrikaandermarkt waar we veel kopen. Op een gegeven moment zie je dat ze dingen terug gaan doen. Ze gaan sponsoren, iets voor niets doen. Op een dag kregen we een pompoen van honderdtwintig kilo cadeau. Dat werkt educatief fantastisch.

In het samenwerken ga ik uit van een simpel standpunt. Iedereen vraagt what is in it for me? We moeten onder ogen durven zien dat mensen die in een proces stappen altijd specifieke belangen hebben. Die belangen moet je honoreren. Je moet erkennen dat het geen charitas is, geen filantropie. Ouders die op school komen, krijgen een vrijwilligersvergoeding. Voor sommigen die continu op school ondersteunen betekent dat in de maand honderdvijftig euro erbij. Maar voor de fiscus mag je maar vijftienhonderd erbij verdienen per jaar. We hebben dan ook allerlei fiscale problemen gehad.
Erken dat je deals maakt. We zijn bezig met sociaal ondernemen. Neem het ondernemen serieus. Het gaat om de verbetering van de situatie van mensen en dat is de context waarbinnen die deals worden afgesloten”.

Is ondernemerschap te leren?
“Het is nodig onderscheid te maken tussen ondernemend zijn en ondernemerschap. Wij leren kinderen in het basisonderwijs ondernemend te zijn. Dat dat uiteindelijk in het VMBO en het MBO tot ondernemerschap leidt, lijkt mij voor de hand liggen. We kunnen je skills leren waarmee je ooit verder komt dan als je ze niet had geleerd. Ons ondernemerschap is wel eco-scoiaal gericht op duurzaamheid. Dat wil zeggen dat jij niet je eigen toko runt ten koste van een ander. Het gaat mij om duurzaam ondernemerschap, dat je altijd in de samenwerking je belangen probeert te optimaliseren. Dat is een soort ondernemerschap waar wij nog veel in moeten investeren om dat te leren.
Ondernemerschap is gebaat bij de alertheid waar ik zojuist over sprak. Alertheid is een vorm van – ongerichte - intentionaliteit. Het is een open, poreuze interesse waardoor mensen in staat zijn iets te laten gebeuren, zonder dat ze bij voorbaat uit een soort defensieve houding zichzelf inperken met als gevolg dat ze kansen laten liggen. Een ondernemer is voortdurend, om het negatief te zeggen, op zoek om ergens een quick buck te maken. Anders gezegd, hij is op zoek naar opportunities. Daar proberen wij een eco-sociale invulling aan te geven”.

De organisatie

Om dingen voor elkaar te krijgen helpt ook Oosterlings model van de organisatie. Die heeft drie schalen die voortdurend in elkaar verwikkeld zijn. Dat zijn strategische visie, tactische samenhang en operationele focus: “Als je die drie op alle niveaus van je organisatie niet met elkaar in samenhang kunt brengen, heb je een probleem. Dan gaan mensen op het operationele niveau panisch allerlei dingen doen, terwijl ze niet weten met wie ze zich nu moeten verbinden om de strategische visie handen en voeten te geven. Want je weet pas met wie je je moet verbinden als je een strategische visie hebt op grond waarvan je kunt bepalen wie je nodig hebt om iets te doen. Dat houdt tactisch in dat je ook weet met wie je daarvoor moet samenwerken. Zo zitten onze duurzaamheidscenario’s in elkaar. Dit vormt de verbindingskracht van Vakmanstad als netwerkorganisatie. Niet het piramidemodel, geen topdown en bottom up, geen toplagen en lagen daaronder. Op het moment dat je in netwerken denkt en niet meer in piramides is er geen boven en onder meer. Die verbindingen noem ik transversaal.
Maar iedere medewerker doet dat op zijn of haar eigen schaal. Je kunt niet van iemand verwachten dat hij alle rapporten en alle strategische visies leest, met alle besturen en ambtenaren praat, maar wel dat hij op de schaal waarop gewerkt wordt nadenkt over waar het op een andere schaal naartoe moet gaan. Opschalen in plaats van een stip op de horizon”.

Reactie van de sidekicks

Als sidekick fungeren op deze werksessie Loes Leatemia en Ramon Schleijpen, samen eerder geïnterviewd in maart 2015. Zij richtten in 2012 in Amsterdam het platform van initiatiefnemers Lokale Lente op, mensen die bezig zijn met het vinden van nieuwe vormen ter verbetering van de leefbaarheid en sociale cohesie van de stad.
Laetemia vraagt naar de pedagogische onderliggende gedachte van Rotterdam Vakmanstad.
Oosterling: “Die is dat je voor kinderen allereerst ruimte moet scheppen zodat ze keuzes kunnen maken. De creativiteit die ze is afgeleerd op de scholen, moet weer getriggerd worden. Ik heb geen problemen met kinderen, ik heb problemen met ouders, en soms met docenten. Die moet je opvoeden. Kinderen zijn nooit het probleem. Je kunt met kinderen over alles praten. In de filosofieles stellen ze vragen, daarvan val je van je stoel. Wij merken ook dat bij filosofie kinderen niet gehinderd worden door het feit dat ze bijvoorbeeld moslim zijn. Het zijn kinderen die vragen stellen. Bestaat er nog wat na de dood? Wat is de grens van het heelal? Het zijn me nogal wat vragen. We merken wel dat kinderen uit, laten we zeggen, sociaal-economisch gedepriveerde wijken - hier in de buurt is negentig procent van allochtone afkomst - een heel beperkt referentiekader hebben. Dat betekent een enorme achterstand in informatie, kennis en vaak ook taal. Als ze naar school gaan, lopen ze twee jaar achter. Daar kan een communicatieprobleem ontstaan, en omdat het ook trotse kinderen zijn, kunnen ze agressief-defensief reageren en jou provoceren. Daar kan een pedagogisch probleem liggen. Maar het kind zelf is nooit het probleem”.

Van een passieve, consumptieve houding naar een actieve, productieve houding

Oosterling wijst op nog een ander probleem, de vernauwing van het cognitieve leren waarbij kinderen geen ruimte krijgen om zich te verbreden: “Ik heb laatst een jonge vrouw op de kunstacademie gesproken die onderzoek doet naar de druk die op studenten van de kunstacademie staat om vooral geniaal te zijn. Het blijkt dat een disproportioneel grote groep jongeren depressief is door de eisen die aan hen gesteld worden. Vrienden van mij, psychotherapeuten en psychologen, bevestigen dat. Dat is de bovenkant van het probleem. De onderkant is dat cultuureducatie helemaal is weggedrukt in de schoolcurricula, terwijl dat eigenlijk een integraal onderdeel zou moeten zijn van het onderwijsprogramma.
Cultuur heeft alles met skills te maken. Die dragen we over aan de volgende generatie. Skills zie ik als vaardigheden om om te gaan met media, zoals een smartphone, maar ook een koksmes, een guitaar, of een stem. Bij judo is het je lichaam.

Die breedte werd, toen ik op de pabo zat, gezocht in een nieuw vak: wereldoriëntatie. Ik ben niet voor niets een maand voor mijn examen afgehaakt. Ik herkende die breedte niet echt op de reguliere lagere scholen. Ik had op veel scholen gekweekt, Jenaplan, Dalton, Montessori, Vrije School, Freinet, waardoor ik dacht: ja hallo, dat hoort eigenlijk in het reguliere onderwijs. Als je nu ons programma Fysieke integriteit doormeet, zie je aspecten van al deze scholen terug. Als we het heel breed formuleren is dit wat we met kinderen willen: hen uit een passieve, consumptieve houding naar een actieve, productieve houding brengen. Ze actief laten participeren. En daar mag je van mij ook nog ondernemerschap en burgerschap aan koppelen. Naast dat ze moeten leren dat overal handen aan zitten en dat er respect moet zijn voor die handen, is het ook zaak dat ze zelf creatief aan de slag gaan met hun handen, hoofd en hart.
Wij leren de kinderen koken. Sommige politici en beleidsmakers denken dat koken niet bijdraagt aan de cognitieve ontwikkeling. Maar koken op school brengt met zich mee: naar de markt gaan om inkopen te doen, kosten uitrekenen, wegen, plannen, overleggen, samenwerken, hier zijn overal reken- en taalvaardigheden mee gemoeid. Het draagt dus wel degelijk bij aan de cognitieve ontwikkeling.
Ook denken velen nog steeds dat het over kennis gaat, maar het gaat over informatie. Wij leven in een informatiesamenleving. Het gaat niet om kennis, het gaat om het leren hoe kennis te verzamelen en in te zetten, om leren leren. Dat is wat kinderen moeten kunnen. Daar zit ondernemend zijn in, alertheid, cultureel-creatief zijn. Dan worden leren en cognitie plotseling iets totaal anders.
Als je wilt weten of cognitie, d.w.z. concentratie en aandacht en associatievermogen gebaat is bij bomen, bij groen, dan kan ik daar heel wat rapporten voor aandragen. Als nu blijkt dat neuronen in je kop beter werken omdat jij in een bepaalde tijd van je leven je benen gebruikt om hard te lopen of te judoën, dan is cognitie via neurologie gebaat bij systematisch sporten. Op die manier deconstrueer je de bijzonder enge opvatting van cognitie naar een bredere vorm waarin cultuur en groen ook een rol spelen”.

De discussie

De discussie wordt geleid door Pieter Hilhorst, publicist en sociaal ondernemer. Hij houdt zich momenteel bezig met een alternatieve aanpak van schuldhulpverlening en doet onderzoek naar de gevolgen van decentralisatie. Hij vraagt of kinderen die bijvoorbeeld niet houden van judo, dat toch moeten doen?
Oosterling: “Ja. Dat heet opvoeden. De kinderen bevinden zich in een ontwikkelingsproces waarin ze leren ontdekken wat ze leuk vinden. Er zijn erbij die helemaal niets met judo hebben. Maar, ze doen wel mee. Jongens en meisjes met elkaar. Ze raken elkaar aan, de hele tijd. Een moslimmeid en een Antilliaanse jongen. Op het affectieve niveau, het sub-individuele niveau heeft dat een waanzinnig effect. En dat zie je op het schoolplein.
Voor sommigen is filosofie wel iets maar judo niet. Anderen vinden met je vingers in de aarde wroeten weer niks. Maar wat wij nu ontdekt hebben is dat de kinderen van de Bloemhof in het voortgezet onderwijs - en wij horen dat van docenten - heel goed gebekt zijn. En als wij de kinderen dan zelf interviewen horen we: ja wij kregen judo en ik vond daar niets aan, maar ik heb wel gemerkt dat ik hier veel sterker in mijn schoenen sta. Kijk, dat wil ik graag horen. De school heeft een opvoedtaak. We zijn dat helemaal vergeten. Waarom zou je de opvoedtaak niet serieus nemen en breder trekken? Dat is dat hypokritische waarover ik het eerder had. Serieus op je nemen dat je kinderen vormt en dus deel van een probleem en van een oplossing bent”.

Meedoen

Oosterling legt uit wat hij precies met meedoen bedoelt: “Wij hebben een knooppunt in de wijk gebracht en dat is de school. Daaraan zitten veel andere leefgebieden vast waardoor we veel mensen kunnen bereiken. Je hebt op school een continuïteit van acht jaar waarin je, als je geluk hebt, ouders, huurders en wijkbewoners kunt binden. Een tweede inhakingsmogelijkheid die meedoen bevordert, ligt in de onderwijskolom zelf, van de basisschool tot en met het HBO.
Deze doorlopende leerling is cruciaal om wat op de basisschool geleerd wordt door te zetten totdat ze de markt betreden. We hebben het Vakhuis, een soort buurthuis 2.0 waar je na school naartoe kunt in werkplaatsen om verschillende vakken te leren. Het is ook al deel van het VMBO-curriculum. We hebben de Vakwerf waar MBO-stagiaires duurzaam vakmanschap ontwikkelen. De MBO-studenten zitten ook weer in onze basisschool en VMBO-projecten.
Op die manier haak je allerlei netwerken weer in elkaar. Wij pakken de hele breedte en diepte. We werken veel samen met bijvoorbeeld Barend Rombout van Bureau Frontlijn die met gezinnen bezig is. Ook met Stichting De Katrol van Sandra Pardoel die voorleestrajecten verzorgt. We pretenderen een integrale aanpak te hebben, waarin de integrale meerwaarde iets oplevert en het is in de samenwerking met dit soort partners dat iets van de grond kan komen in de gezinnen dat overeenstemt met wat we op school doen.

Een kind is het belangrijkste wezen voor ouders, een primaire drijfveer dus. Laten we de belang-stelling even simpel formuleren. Ouders doen mee om bij de lunch aan tafel te zitten, waarbij ze soms hun kind kunnen voortrekken. Dat zeeft zich er later weer uit en op een gegeven moment telt dat niet meer. Maar op school werken kan voor vrouwen ook een emancipatorisch effect hebben. Ze kunnen met mannen praten, met andere mensen omgaan, iets dat ze normaal niet mogen. De vrouwen werken in de keuken, ze zijn overblijfmoeder, ze koken. Ze zitten met zeventig kinderen in een ruimte, terwijl de leraren dan een uurtje pauze hebben. Maar we geven hen ook fitness-, taal- en dieetcursussen, we maken met zijn allen een kookboek.

Op deze manier ontsluiten wij ook nieuwe netwerken en daarmee ruimte voor keuzes voor deze vrouwen. We creëren discretionaire ruimte voor hen, ze krijgen een aantal richtingen aangeboden waaruit ze kunnen kiezen, dat versterkt hun autonomie. Dat is wat wij doen, hen tools en technieken geven om die keuzes gericht en beschermd te maken. Hoe groter het scala aan mogelijkheden, des te groter de groep wordt. Je kunt in de keuken meehelpen, in het kernteam zitten, je kunt voorlezen”.

Tot slot een typerende uitspraak van Oosterling: “Ik ga niet uit van de klacht maar van de kracht van mensen. Ik wil op de affirmatie zitten en kijken hoever je daarmee komt. Ik ben dus geïnteresseerd in mensen die, hoe minimaal ook, willen meedoen”.

Reflectie en samenvatting

Gabriël van den Brink, hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg vat in zijn slotbeschouwing in het kort Oosterlings biografie samen. Oosterling is de eerste geïnterviewde in deze reeks die niet iemand, een vader bijvoorbeeld, tot groot voorbeeld had of tegen wie je je kon afzetten. Uitzonderlijk vindt hij dat Oosterling van onderop, vanuit de arbeidersklasse, opklom tot een hoog niveau en vervolgens weer de weg naar beneden opzocht: “Dat zouden we vaker moeten zien. We krijgen ook voor het eerst een degelijke, theoretische onderbouwing van initiatieven en ervaringen van de sociaal ondernemer”.

De door Oosterling gebruikte woorden hebben kracht. Ze brengen iets in wat in de gangbare Nederlandse taal eigenlijk afwezig is. Die kracht stamt onder meer uit de filosofie van Nietzsche die zich in de negentiende eeuw heeft verzet tegen de dominantie van het verstand. Dat ging ten koste van de vitaliteit..
Van den Brink: “Oosterling zegt bijvoorbeeld: weg met de negativiteit. Dat is wel vaker gezegd, maar hij geeft er een mooie uitdrukking aan: hyperkritiek, weg ermee. Ik kan daar alleen maar mee instemmen. Ik heb me zelf de afgelopen twintig jaar enorm geërgerd aan die, vaak hoogopgeleide, mensen met hun ja maar… opmerkingen. Kritiek is goed en mooi, maar het moet niet te gek worden. Teveel kritiek werkt niet, we moeten naar de affirmatie toe. Dat is ook een Nietzscheaanse term”.

Het gaat erom wat kun je wel? Dat is een andere manier van kijken naar de werkelijkheid, naar de maatschappij en de mensen. Het gaat erom hoe je de dingen ziet, dat is het pleidooi van Oosterling.
Tijdens het interview had Oosterling opgemerkt dat voor hem “woorden ook daden zijn”. De tegenstelling geen woorden, maar daden vindt hij onzin. Woorden zijn wel daden en buitengewoon relevant. Taal geeft energie, taal en lichaam liggen dicht elkaar.
Taal is een belangrijk element van het vormen van netwerken volgens Van den Brink. Het netwerk is niet alleen iets sociaals, het zit ook tussen je oren. Woorden aaneenrijgen, dingen verbinden. Praten, spreken, ageren via taal, netwerken vormen, het hoort allemaal bij elkaar.
We kunnen nu ook een mooie term toevoegen: haakbaarheid. Netwerken aan elkaar koppelen. Ook groepen inhaken die slecht zijn aangesloten in de netwerksamenleving, die niet de skills hebben, de opportunities niet weten te pakken en daardoor de boot missen.

Van den Brink herinnert ons eraan dat het onbehagen in de passieve consumptiemaatschappij vrij oud is. In de jaren zestig was het al geformuleerd, maar er kwam eigenlijk geen antwoord. We verfijnen onze consumptie, maar we zitten nog altijd in de consumptiemaatschappij:
“Er is een antwoord nodig op die houding die op de een of andere manier niet erg past bij het DNA van het Westen. Ik formuleer nu eventjes wat breed, maar ik denk dat wij in het Westen au fond niet gelukkig worden van consumptie. Dat is in het christendom al geformuleerd en dat is in de zeventiende eeuw in Amsterdam geformuleerd. Zie het boek van Simon Schama Overvloed en onbehagen. Rijkdom maakt niet gelukkig en dat zien we terug in allerlei onderzoeken naar geluk. We worden niet gelukkig van meer auto’s, meer vrouwen, meer huizen. Ja eventjes, maar dan is het over. Deepdown is geluk gekoppeld aan iets anders, namelijk aan je vermogen, je potenties waarmaken en actief en productief zijn”.

Er is een nieuw maatschappelijk contract nodig

In Oosterlings filosofie is ook Karl Marx te horen, niet de Marx van Das Kapital maar de jonge Marx van het zich herkennen in de arbeid, de bijdrage aan het geheel, de sociabiliteit, de skills en het productieve aspect van de mens. Ook het respect vragen voor het werk van de handen, dat arbeid nodig is om dingen te maken. Dat besef is weggevallen, een belangrijk element van de consumptiemaatschappij.
Wat ook aansluit op de jonge Marx is de waardering voor zaken, het down to earth zijn: “Ik geloof dat het Jacques de Kadt was die heeft gezegd: ik heb weinig op met marxisten en freudianen maar ze hebben een voordeel, ze zijn nuchtere mensen. Ze hebben niet een roze mensbeeld, ze weten waar het in het leven over gaat. Je moet je geld verdienen, de gewone dingen zijn belangrijk. Ons brood verdienen is een integraal onderdeel van het menselijk bestaan en het heeft geen zin met een of andere hooggestemde filosofie daar luchtig overheen te stappen”.

Van den Brink hoopt dat mensen Oosterling navolgen in zijn traject, van laag naar hoog en weer terug. Van een Rotterdams arbeidersgezin via de Franse filosofie naar de mensen die het moeilijk hebben in de maatschappij: “Want ik denk dat dat bitter nodig is. De komende tien jaar is een nieuw maatschappelijk contract nodig tussen de bovenlaag en de onderlaag van Nederland. Dat contract heeft ooit vorm gekregen op collectief niveau. Dat was de sociaaldemocratie, de verzorgingsstaat, maar dat is totaal over. Als je nu kijkt naar het Sociaal en Cultureel Rapport, hoe de segmentatie van Nederland in elkaar zit, dan stel je vast dat er bijna geen verkeer meer is tussen de hoogopgeleide bovenlaag die het goed doet en de mensen onderin. Ze verstaan elkaar bijna niet meer, om niet te zeggen, er is een hevige animositeit, in ieder geval een enorme kloof tussen beide groepen. Zo’n nieuw maatschappelijk contract gaat niet de vorm aannemen van een collectieve regeling, maar zal denk ik een vrij private vorm aannemen, van individuele mensen, kleine groepen uit de bovenkant die zich op een serieuze wijze interesseren voor wat er aan de onderkant gebeurt. Niet paternalistisch, niet bevoogdend, maar gewoon heel nuchter. Dat is een nieuwe vorm van solidariteit die weinig te maken heeft met het collectieve van de vroegere bewegingen, maar die wel bitter nodig is en in Nederland teveel ontbreekt”.

En, het gaat niet alleen om het traject van boven naar beneden, maar ook om het traject van het grote naar het kleine, naar het lokale, naar het momentane, naar de concrete plek. Je nestelen en wortelen op een plek.
Eerder in de discussie is sprake geweest van het DNA van een stad of een buurt. Projecten die goed gedijen in de ene stad, hoeven dat nog niet te doen in een andere stad. Ze zijn niet zomaar over te plaatsen. Al die waanwijsheid van modellen en procedures die overal zouden zijn toe te passen; het is gewoon onzin. Behalve Marx en Nietzsche proefde Van den Brink in Oosterlings woorden ook een soort wijsheid uit het Oosten, een vorm van openheid die in de Oosterse traditie gecultiveerd wordt.
Het is het vermogen om even af te zien van je eigen verlangens, driften en belangen en met openheid naar de werkelijkheid te kijken: wat gebeurt hier nu? Dat is eigenlijk ook een vorm van ondernemerschap. Alert zijn, er gebeurt voortdurend iets. Het wordt voortdurend lente, elke dag is een nieuwe dag. Ga eens anders kijken naar de stad, naar de buurt, naar het gewone leven. Zien waar de momenten zitten die je kunt pakken en waaraan je iets kunt toevoegen.

[> Aanbevolen om te lezen ...

Op 28 mei spreken we met Henk Oosterling, veelzijdig en betrokken Rotterdammer, filosoof, universitair hoofddocent, en oprichter en directeur van Rotterdam Vakmanstad (RVS). Nemen en geven van verantwoordelijkheid, daadwerkelijke en duurzame interesse zijn sleutelbegrippen in de aanpak van RVS, dat werkt aan het op de kaart zetten van duurzaam vakmanschap in Rotterdam. Om dit te realiseren werkt ze op verschillende schalen: school, buurt, markt en stad. Netwerken op die schalen worden met elkaar verknoopt waardoor er zogenaamde interactievelden ontstaan. Er zijn vier interactievelden met specifieke trajecten: het eerste is het basisonderwijs rond Fysieke Integriteit, het tweede is de buurt rond Actief Burgerschap en het derde de markt rond Duurzaam Vakmanschap. Daar doorheen loopt de onderwijspijler met een focus op vakmanschap. Het vierde interactieveld - de stad - richt zich op het formuleren van en adviseren bij beleidsrapporten en visies. RVS werkt samen met onderwijsinstellingen, het welzijnswerk, zorginstellingen, wooncorporaties, bedrijfsleven, overheden en vooral met andere organisaties die zich bezighouden met wijkontwikkeling.

Soundbites

Thema

Voortrekkers thema:
Meedoen

Sociaal Thema:
Onder de noemer 'doendenken' worden ecosociale verantwoordelijkheid, ouderbetrokkenheid en daadwerkelijke participatie op scholen en in de wijk systematisch op de kaart gezet.

Impressies

Woede is energie; woorden zijn daden.

Hypercritisch: altijd 'ja maar' roepen.

Hypocritisch: je weet dat je zelf deel van het probleem bent, en een deel van de oplossing.

De school heeft een opvoedtaak; er wordt nu te veel gedrild.

Kinderen actief en productief maken, in plaats van passief en consumptief laten.

Haakbaarheid: steeds verdacht zijn op verbindingen met anderen, netwerk-mentaliteit.

Programma

19.00u Inloop
19.30u Eerste ronde: Thijs Jansen interviewt Henk Oosterling
20.00u Korte reflectie door side kick Loes Leatemia en Ramon Schleijpen, Lokale Lente
20.15u Pauze
20.30u Gesprek
21.30u Reflectie door Gabriël van den Brink
21.45u Einde

Verder lezen

www.vakmanstad.nl/page/onderzoek
Woorden als daden, samenvatting

Praat mee op:
linkedin-groep
slotevent
Bronnen over pioniers, kanteling, maatschappelijke ondernemingen, etc.

Lees de presentatie van Gabriël van den Brink op 20 november

Nabij is beter, brochure van het Kwaliteits Instituut Nederlandse Gemeenten, een bundeling van drie artikelen van Jos van der Lans en Pieter Hilhorst; de artikelen verschenen eerder in De Groene Amsterdammer.

Geert Schmitz: Praten met elkaar en met de overheid. Essay over de communicatieve route naar vitale gemeenschappen. Peel en Maas: Gemeente Peel en Maas.Van de Gemeente Peel en Maas

Over het boek De kracht van de gemeenschap, met artikelen van o.a. Gabriël van den Brink

VPRO Tegenlicht, met een item over het Hyperion College, een "vernieuwende school"

Projecten van Drift

SER advies gevraagd over sociaal ondernemerschap

Het dossier "Burgers nemen het over" op Sociale Vraagstukken

Loslaten, vertrouwen, verbinden, het voorgaande project van Socires en de WRR. [> Meer informatie;
Het boekje van Jos van der Lans: Loslaten, vertrouwen, verbinden

... oudere meldingen
Vitaal lokaal participeert in de volgende linkedin-groepen:

Binnenlands Bestuur
Burgerparticipatie | Rijk
Divosa
Passie voor publieke verantwoording
PS? de Participatie Samenleving
Sociale Vraagstukken
Stichting Beroepseer
Werkgeluk om te delen